Genetisch

Lp(a) · het verborgen risico

Lp(a) is een grotendeels erfelijke risicofactor voor hart- en vaatziekte die voeding niet beïnvloedt. Eénmalig laten meten volstaat voor een leven.

9 min lezen Laatst herzien:

Lp(a), uitgesproken als “el-pee-klein-a”, is een specifiek soort cholesteroldeeltje dat vrijwel volledig erfelijk wordt bepaald. Voeding heeft er geen invloed op. Beweging ook niet. Je waarde wordt al bij de geboorte vastgelegd en blijft je hele leven ongeveer hetzelfde.

Een verhoogde Lp(a) is een onafhankelijke causale risicofactor voor hart- en vaatziekte. “Onafhankelijk” betekent: ook als je LDL en je bloeddruk goed zijn, kan een hoge Lp(a) je risico verhogen. Dat maakt het lastig, want je merkt er zelf niets van en het wordt niet automatisch gemeten.

Wat is Lp(a) precies?

Lp(a) is een LDL-achtig deeltje met een extra eiwit, apolipoproteïne(a), gehecht aan de apoB-component. Dat extra eiwit vertraagt de opruiming van het deeltje uit het bloed en heeft eigenschappen die kunnen bijdragen aan ontsteking en stollingsneiging in de vaatwand. Daarmee combineert Lp(a) twee mechanismen die afzonderlijk al risico geven: cholesteroltransport én vaatschade.

De Lp(a)-spiegel wordt voor ongeveer 80 tot 90 procent bepaald door één gen, het LPA-gen. De variatie in dat gen verklaart waarom sommige mensen levenslang waarden ver onder 30 mg/dL hebben, terwijl anderen waarden van 100, 200 of meer zien. Tussen die twee uitersten zit een dichte verdeling. De waarde is bij de meeste mensen al vroeg in de jeugd vastgesteld en verandert daarna nauwelijks.

Hoeveel mensen hebben een verhoogde waarde?

Ongeveer één op de vijf mensen heeft een Lp(a)-waarde die als verhoogd geldt. In Nederlandse cohorten ligt het ergens in dezelfde orde van grootte. Veel van die mensen weten het niet, omdat een standaard lipidenpaneel Lp(a) overslaat.

Welke eenheid lees je af?

Laboratoria rapporteren Lp(a) in twee verschillende eenheden, en die zijn niet zonder meer omrekenbaar.

EenheidWat het meetVeelgebruikte drempel
mg/dLMassa van het Lp(a)-deeltje> 50 mg/dL geldt als risicomodifier
nmol/LAantal Lp(a)-deeltjes> 105 nmol/L geldt als risicomodifier

De grove vuistregel is dat 50 mg/dL ongeveer overeenkomt met 105 nmol/L, maar dat is een benadering. Omdat Lp(a)-deeltjes verschillen in grootte tussen mensen, is een nauwkeurige conversie tussen mg/dL en nmol/L niet mogelijk. Bij voorkeur gebruik je in beoordeling de eenheid waarin het lab heeft gerapporteerd, en houd je de grenswaarde voor die eenheid aan.

In Nederland leveren veel laboratoria inmiddels nmol/L. Bij twijfel of bij vergelijking met internationale literatuur, vraag je arts welke eenheid en welke grenswaarde gehanteerd zijn.

Wanneer laten meten?

De Europese richtlijn van ESC en EAS adviseert om Lp(a) bij elke volwassene minstens één keer in het leven te meten. Eénmalig is voldoende, juist omdat de waarde niet verandert. De Nederlandse NHG-richtlijn is terughoudender en noemt vooral selectieve meting bij specifieke risicocontexten, niet bij iedereen.

In de praktijk in Nederland is Lp(a) zeker zinvol bij:

Voor wie buiten deze indicaties toch eenmalig wil weten waar je staat: dat is een redelijk verzoek aan je huisarts. Soms kan de meting tegen een zelf-gefinancierde toevoeging van het lipidenpaneel aangevraagd worden.

Wat als je waarde verhoogd is?

Een verhoogde Lp(a) is geen diagnose. Het is een signaal om je totale risicoprofiel zorgvuldig te bekijken samen met je arts.

Drie vuistregels:

1. Het totale risico verlagen, niet de Lp(a) zelf. Omdat de Lp(a) zelf nauwelijks beïnvloedbaar is met huidige middelen, ligt de strategie op het verlagen van wel-beïnvloedbare risicofactoren. Dat betekent in de praktijk vaak een striktere LDL-doelstelling, optimale bloeddruk, niet roken en aandacht voor diabetes en gewicht.

2. Statines verlagen Lp(a) niet. Statines verlagen LDL effectief, maar Lp(a) blijft op statines vrijwel gelijk en kan zelfs licht stijgen. Dat is geen reden om geen statine te nemen wanneer LDL-verlaging geïndiceerd is, want het netto-effect op cardiovasculaire uitkomsten blijft gunstig.

3. Specifieke Lp(a)-verlagende medicatie is in ontwikkeling. Er zijn nieuwe middelen in fase 3-onderzoek (zoals olpasiran, pelacarsen, lepodisiran) die Lp(a) substantieel kunnen verlagen. Of die ook hart-vaatuitkomsten verbeteren wordt nu in grote trials onderzocht. Per mei 2026 zijn deze middelen nog niet algemeen beschikbaar buiten studieverband.

Lp(a) en familiaire hypercholesterolemie

Lp(a) en familiaire hypercholesterolemie zijn twee verschillende aandoeningen, maar ze kunnen samen voorkomen. FH is een aandoening van de LDL-receptor, met permanent verhoogd LDL als gevolg. Lp(a) is een aparte erfelijke verhoging van het Lp(a)-deeltje. Wanneer iemand beide heeft, telt het cardiovasculaire risico extra hard op.

In Nederlandse FH-poliklinieken wordt Lp(a) daarom vrijwel altijd ook bepaald, omdat het de behandelintensiteit kan beïnvloeden.

Wat Lp(a) NIET is

Een paar veelvoorkomende misverstanden:

Vragen die je je arts kunt stellen

Als je net een Lp(a)-uitslag hebt of vermoedt dat het bij jou speelt, een paar vragen die het gesprek scherper maken:

Verder lezen

Voor een uitleg over alle deeltjes samen, zie het verschil tussen LDL en ApoB. Bij familiale clustering van hoog cholesterol speelt soms ook familiaire hypercholesterolemie; dat is een aparte aandoening met een ander mechanisme. Voor de bredere context van cardiovasculair risico in Nederland, lees hart- en vaatziekten in Nederland.