Biomarkers bij hoog cholesterol
Naast LDL en ApoB zijn er meer markers die context kunnen geven: hs-CRP, apoA1, LDL-P en remnant-cholesterol. Wat zeggen ze, en wanneer zijn ze nuttig?
Biomarkers bij hoog cholesterol omvatten meer dan LDL en ApoB alleen. Naast die twee zijn hs-CRP, apoA1, LDL-P en remnant-cholesterol verdiepende markers die in specifieke gevallen extra context geven. Voor elke marker geldt: in de Nederlandse eerstelijn is routinematige bepaling niet standaard. Ze hebben hun plek in specifieke diagnostische vragen of in specialistische zorg.
hs-CRP: chronische ontsteking als modifier {#hs-crp}
hs-CRP staat voor hooggevoelige C-reactief proteïne. Het is een ontstekingsmarker die wordt gemaakt door de lever in reactie op cytokines. De gewone CRP-test pikt vooral acute ontstekingen op, zoals een longontsteking of postoperatieve infectie. De hs-versie is gevoelig genoeg om hele lage chronische ontstekingsniveaus te detecteren die met cardiovasculair risico samenhangen.
In de ESC/EAS focused update van 2025 wordt hs-CRP boven 2 mg/L genoemd als risicomodifier die meeweegt wanneer de risicoschatting in een grijs gebied valt. Het is geen primaire diagnostische marker, maar kan helpen om bij twijfel de balans te kantelen richting wel of niet medicamenteus behandelen.
Belangrijk om te weten: een acute infectie, recent letsel of zelfs een verkoudheid kan hs-CRP fors verhogen. Bepaling moet daarom op een rustig moment, ten minste twee weken na een infectie. Een eenmalige hs-CRP zonder klinische context is moeilijk te interpreteren.
apoA1: eiwit op HDL {#apoa1}
ApoA1 is het belangrijkste eiwit op HDL-deeltjes. Waar ApoB op atherogene deeltjes zit, zit apoA1 op de “goede” deeltjes die cholesterol terugbrengen naar de lever. Een lage apoA1 wijst op verminderde transportcapaciteit. Het correleert met laag HDL-cholesterol en met metabool syndroom.
In sommige studies wordt de ApoB/apoA1-ratio gebruikt: atherogene deeltjeslast gedeeld door HDL-functie. Een hogere ratio gaat gepaard met hoger cardiovasculair risico. In de Nederlandse eerstelijn is deze ratio geen standaard meting. Ze komt vooral in beeld bij specialistische beoordeling van complexe lipidenpatronen.
Anders dan bij LDL en ApoB is apoA1 niet rechtstreeks een behandeldoel. Er zijn op dit moment geen medicijnen die specifiek apoA1 verhogen met bewezen klinische winst.
LDL-P: deeltjestelling, beperkt tot LDL {#ldl-p}
LDL-P, voluit LDL particle number, is een telling van het aantal LDL-deeltjes via NMR-spectroscopie. Het concept lijkt op ApoB: niet wegen maar tellen. Het verschil zit in de scope. ApoB telt alle atherogene deeltjes (LDL, VLDL, IDL, Lp(a)) omdat elk daarvan precies één ApoB draagt. LDL-P telt specifiek LDL.
In de moderne klinische lipidologie is ApoB de voorkeur, omdat het de bredere atherogene last meet en goedkoper te bepalen is. LDL-P heeft historisch een rol gespeeld in onderzoeksetting en in een aantal Amerikaanse particuliere zorgpaden. In Nederland wordt LDL-P niet standaard aangeboden en niet vergoed.
Wat blijft staan: het concept dat tellen van deeltjes informatiever is dan het wegen van cholesterolmassa, vooral bij metabole afwijkingen. Voor dat concept biedt ApoB in de praktijk dezelfde informatie.
Remnant-cholesterol: restanten van TG-rijke deeltjes {#remnant}
Remnant-cholesterol is het cholesterol dat zit in restanten van triglyceride-rijke deeltjes. In de Nederlandse richtlijn wordt het berekend als totaal cholesterol minus HDL-cholesterol minus LDL-cholesterol. Het is een indirecte maat: het cholesterol dat overblijft als je LDL en HDL eruit haalt zit overwegend in VLDL-restanten en chylomicron-restanten.
Recent onderzoek wijst erop dat verhoogde remnant-cholesterol bijdraagt aan atherosclerose, los van LDL. Bij mensen met metabool syndroom of hoge triglyceriden kan remnant-cholesterol opmerkelijk hoog zijn terwijl LDL nog normaal lijkt. Dat verklaart waarom non-HDL en ApoB in dezelfde groep vaak een ander signaal geven dan LDL.
In de eerstelijn wordt remnant-cholesterol nog niet standaard gerapporteerd, maar het concept zit verstopt in non-HDL: alle cholesterol minus HDL bevat per definitie ook de remnants.
Wanneer welke marker?
Een korte routekaart:
| Vraag | Marker | Waarom |
|---|---|---|
| Hoofdrisico, eerste meting | LDL + non-HDL | Kosteloos uit lipidenpaneel, kerngetal voor NHG-streefwaarden |
| Hoge triglyceriden, normale LDL | ApoB | Telt deeltjes onafhankelijk van cholesterolmassa |
| Risicoschatting in grijs gebied | hs-CRP | Modifier volgens ESC/EAS, op rustig moment meten |
| Familiaire vermoeden | LDL + ApoB + Lp(a) | Lp(a) eenmalig in het volwassen leven volgens ESC |
| Specialistische lipidenanalyse | apoA1 + ApoB-ratio | Verdiepend, geen routine |
In de meeste situaties geeft de combinatie LDL + non-HDL voldoende informatie. ApoB en Lp(a) komen op gerichte indicatie. hs-CRP is een modifier voor wanneer het verhaal niet rond is.